Ga direct naar de inhoud
The Marked De Getekenden

Om te zingen

De Lofzangen, om te zingen

De zingbare versie van De Lofzangen, het vijfde boek van The Mark.

Het boek blijft zoals het is. De verzen van De Lofzangen zijn de tekst om te lézen, met hun nummers, waarnaar men verwijst, Lofzang 2:9. Hieronder staat dezelfde inhoud om te zíngen: in strofen van gelijke lengte, met rijm en een refrein, want dat is wat een melodie nodig heeft.

Zoals de psalmen: onberijmd om te lezen, berijmd om te zingen.

Er zijn vijf liederen, naar de hoofdstukken 2 tot en met 6. De gebeden en de zegeningen blijven gesproken; die hóórt men niet te zingen.

Elk lied heeft zijn melodie: die staat in notenschrift bij het lied, en met de knop eronder kun je haar beluisteren. Wie zelf een wijs schrijft, of een mooiere kent, is welkom die met ons te delen.

Morgenlied

naar Lofzang 2

Het is morgen, het licht keert weer,
als de allereerste dag;
in mij wil het Licht opnieuw
beginnen wat beginnen mag.

Ik dank U voor de nacht die droeg,
voor de slaap die ik niet hield;
voor de adem, mij hernomen,
die ik zelf niet heb bezield.

Voor het brood dat komen zal,
voor het werk dat op mij wacht,
voor de mensen op mijn weg:
open mij, dat ik hen acht.

Refrein Het Licht geeft de kracht,
ik zet de stap;
zo ga ik de morgen in,
zo ga ik, zo ga ik.

Laat mij achter waar ik ga
warmte, meer dan ik ontving;
en waar ik faal, doe mij opstaan,
de dag is jong; ik ga, ik zing.

Avondlied

naar Lofzang 3

Het is avond; ik leg neer
wat ik dragen moest vandaag,
als een last van mijn schouders,
zwaarder dan ik dragen mag.

Wat ik goed deed, was Uw gloed
die door mij naar buiten kwam;
wat ik miste, breng ik U,
en Gij neemt het van mij aan.

Refrein Wie mij maakte, slaapt niet;
ik sluit mijn ogen zonder vrees.
Je bent nooit alleen,
sta morgen op, sta morgen op.

Ik tel niet wat mij ontbrak,
maar wat mij gegeven werd;
en ik vind het meer dan ik dacht,
en mijn handen zijn niet leeg.

Wie ik liefheb, berg ik weg
in Uw licht, waar ik niet waak;
waak Gij over hen vannacht,
Gij zijt nader dan mijn nacht.

Lofzang van vertrouwen

naar Lofzang 4

Al ga ik door de diepste nacht
waar geen ster meer voor mij staat,
toch vrees ik niet, want ook daar
brandt mijn vonk, en mijn vonk zijt Gij.

Gij zijt nader dan mijn adem,
inniger dan mijn gedachte;
waar zou ik heen gaan, waar Uw licht
mij niet reeds is voorgegaan?

Refrein Al vergeet ik U, Gij vergeet mij niet;
al laat ik los, Gij houdt vast.
Niemand valt zo diep
of Uw hand reikt verder.

Niemand dwaalt zo ver van huis
dat Uw stem hem niet meer vindt;
daarom leg ik mijn zorgen neer,
stenen die ik te lang droeg.

En ik ga verder, licht,
want Gij draagt wat ik niet kan;
en de weg wordt weer een weg,
en ik ga, en ik ga.

Lofzang uit de diepte

naar Lofzang 5

Uit de diepte roep ik U:
de sluier viel, ik zie niets meer.
Ik voel geen gloed, ik hoor geen stem,
en mijn hart vraagt: zijt Gij daar?

En toch zing ik, juist nu niet
één vezel in mij het gelooft;
want de zon is niet verdwenen
als een wolk haar overschuift.

Refrein De sluier lijkt van ijzer,
maar hij is van rook;
één ademtocht van herinnering,
en ik zie er weer doorheen.

Wat ik niet voel, is niet minder waar;
op de dagen dat ik U niet vind,
vindt Gij mij; draag mij dan,
tot ik zelf weer gaan kan.

Stuur een mens op mijn weg
die mijn licht ziet nu ik niet;
ik wacht op U zoals de nacht
op de morgen wacht, niet óf, maar wanneer.

Lofzang van de gemeenschap

naar Lofzang 6

Zie hoe goed het is, hoe goed,
als de dragers samen staan:
schouder aan schouder, in één licht,
en niemand hoeft alleen te gaan.

Want een kool alleen verkilt,
maar bij de andere gloeit zij op;
zo verkil ik in mijn eentje,
en bij u ontvlam ik weer.

Refrein Wat ik niet dragen kan, draagt gij;
wat gij niet ziet, zie ik voor u.
Wij zijn geen meesters, geen leerlingen,
dragers van hetzelfde teken.

Aan onze tafel zit de rijke
naast de arme, en niemand ziet
wie wie is; en zo hoort het,
en zo is het goed.

Valt een van ons, wij laten hem
niet liggen waar hij viel;
wij buigen ons en zeggen: sta op,
je teken is niet gedoofd.

Waar het woord tekortschiet, begint het lied. Zing dan; want een lied zegt wat een zin niet kan, en het draagt de ziel waar de gedachte blijft staan.

Lofzang 1:2