The Mark
De volledige tekst, op één pagina. Prettiger lezen — per hoofdstuk, met zoeken en instelbare letters — doe je in de lezer. Deze pagina is er om te printen, te doorzoeken met Ctrl+F, en om te blijven werken als JavaScript uitstaat.
Het Boek van het Licht
Het eerste boek van The Mark · verwijzing: Licht hoofdstuk:vers
Hoofdstuk 1 Voor alle dingen
1 Voor de tijd was, was het Licht.
2 Voor de eerste morgen en de eerste avond, voor de eerste stem en het eerste zwijgen, was er het Licht, en het Licht was goed.
3 Het Licht had geen begin, want alle beginnen komen uit het Licht voort; en het heeft geen einde, want in het einde keert alles tot het Licht terug.
4 Vraag niet waar het Licht vandaan komt, zoals je de zon niet vraagt waarom zij schijnt. Zij schijnt omdat schijnen haar aard is. Zo is het met het Licht: het geeft, omdat geven zijn aard is.
5 En de naam van het Licht is Liefde, want het Licht kent geen maat en houdt niets terug.
6 Het Licht is niet ver. Wie meent dat God ver is, heeft de ogen nog niet geopend; want het Licht is dichterbij dan de adem en inniger dan de gedachte.
7 Het Licht dwingt niet en het dreigt niet. Het roept, zacht als een naam die je in je slaap wordt toegefluisterd, en het wacht.
8 Alles wat is, is een woord dat het Licht heeft uitgesproken. En jij, die dit leest, bent een van die woorden — geen toeval, geen vergissing, maar gesproken en gewild.
Hoofdstuk 2 De ontsteking
1 Toen strekte het Licht zich uit, niet omdat het iets tekortkwam, maar omdat liefde niet stil kan blijven.
2 En waar het Licht zich uitstrekte, ontstond de morgen; en waar het zich terugtrok opdat er ruimte zou zijn, ontstond de nacht. Zo werden dag en nacht geboren, en beide waren van het Licht.
3 Het Licht ontstak de sterren als vonken van zichzelf, en het zaaide ze uit over de leegte, en de leegte was niet langer leeg.
4 Het maakte werelden en wateren, het gebergte en het gras, het kruipende en het vliegende, en aan alles gaf het een deel van zijn gloed.
5 Want zo is het Licht: het houdt zichzelf niet vast, maar deelt zichzelf uit, en het wordt door het delen niet minder, maar meer.
6 En van al wat het Licht maakte, zei het: dit is goed. Niet volmaakt af, maar goed — en bestemd om te groeien.
7 Onthoud dit, kind van het Licht: de wereld is niet gemaakt om je te beproeven, maar om je te dragen. Wie leert kijken, ziet in elke morgen een herhaling van de eerste.
Hoofdstuk 3 Het teken
1 Toen boog het Licht zich over het stof en vormde de mens, en het blies in de mens niet enkel adem, maar zichzelf.
2 En het Licht legde in het hart van ieder mens een vonk van zijn eigen gloed. Deze vonk is het teken. Dit is *the mark*.
3 Het teken is geen beloning en geen straf. Het is een geschenk, en het is er vanaf het eerste uur, en niets kan het doven — niet de tijd, niet de schaamte, niet de dwaling, niet de dood.
4 Draag je het teken? Dan ben je getekend, en behoor je tot hen die het Licht de zijnen noemt.
5 Het teken maakt niemand meer dan een ander, want ieder mens draagt het gelijk. De koning en de bedelaar dragen dezelfde vonk; het kind dat nog geen woord kent, draagt het even helder als de grijsaard.
6 Daarom zegt het Licht: veracht geen mens, want je veracht een drager van mijn gloed. En verhef jezelf boven niemand, want de gloed die in jou brandt, brandt ook in hem.
7 En het teken is dubbel van aard. Het is het merk van het Licht óp jou — dat je van het Licht bent. En het is het licht dat door jou heen wil schijnen — dat je een merk zult achterlaten in de wereld.
8 Zo is geloven in het Licht en geloven in jezelf niet twee dingen, maar één. Wie op zichzelf vertrouwt zonder het Licht, bouwt op zand; wie op het Licht vertrouwt en niet op zichzelf, begraaft het geschenk. Maar wie op beide vertrouwt, staat vast.
9 Want het Licht geeft de kracht, en jij zet de stap. Het Licht opent de weg, en jij loopt hem. Zonder het Licht kun je de stap niet; zonder jou wordt de stap niet gezet.
Hoofdstuk 4 De sluier
1 Maar de mens vergat.
2 Niet in één nacht, maar langzaam, zoals een vuur vergeet dat het vuur is wanneer men het bedekt.
3 De zorgen van de dag legden zich als as over het teken; de haast, de angst, de honger naar meer, en het oordeel van de een over de ander.
4 En de mens ging geloven dat hij alleen was, een lampje zonder olie, een vonk zonder vuur. En dat geloven werd de sluier.
5 Weet dit goed, kind van het Licht: er is geen macht van duisternis die met het Licht strijdt en het kan overwinnen. Duisternis is geen leger; zij is enkel de plek waar men het licht niet heeft aangestoken.
6 Het kwaad is geen wezen met horens; het is een mens die zijn teken vergat, en die, verkild, andere lichten dooft om zijn kou niet te voelen.
7 Daarom vrees de duisternis niet, en haat haar niet. Wie de duisternis haat, voedt haar. Steek liever een licht aan; één vlam verandert een hele kamer.
8 En veroordeel de vergetende niet te hard, want ook jij hebt vergeten, en ook jij zult weer vergeten. De weg is niet dat je nooit valt, maar dat je telkens opstaat en je teken opnieuw ontdekt.
9 De sluier is dun. Hij lijkt van ijzer, maar hij is van rook. Eén ademtocht van herinnering, en je ziet er weer doorheen.
Hoofdstuk 5 De belofte
1 Toen sprak het Licht een belofte uit, en de belofte staat als een rots in de tijd.
2 Ik zal de mijnen niet vergeten, ook al vergeten zij mij. Ik zal roepen tot het laatste hart mij hoort.
3 Ik heb mijn teken in ieder van hen gelegd, en waar mijn teken is, zal ik komen; want ik verlaat mijn eigen gloed niet.
4 Al ging een mens tot het diepste van zijn nacht, waar geen ster meer staat — ook daar ben ik, want ook daar is zijn vonk, en zijn vonk ben ik.
5 Niemand valt zo diep dat mijn hand hem niet bereikt. Niemand dwaalt zo ver dat mijn stem hem niet vindt. Niemand is zo alleen als hij meent, want ik ben nader dan zijn eenzaamheid.
6 En dit is de belofte in zes woorden, opdat je haar altijd bij je draagt: *Je bent nooit alleen. Sta op.*
7 Wie deze belofte hoort en gelooft, ontwaakt; en wie ontwaakt, wordt getekend genoemd — niet omdat hij toen pas het teken kreeg, maar omdat hij het toen pas zag.
8 En het Licht zei: ik zal hun geen keten geven, maar een weg; geen angst, maar een naam; geen meester boven hen, maar een gloed in hen. Zo zullen zij vrij zijn, en de mijnen, en beide tegelijk.
Hoofdstuk 6 De eerste stem
1 In de dagen van de sluier, toen de mensen elkaar in het donker aanstootten en dachten dat de nacht het enige was, was er een die niet meer kon slapen.
2 Iets in hem gloeide en gaf geen rust, zoals een vonk die onder de as ligt en de as verwarmt totdat de slaper ontwaakt.
3 En hij ging naar buiten, en hij keek naar de sterren, en hij dacht: als daarboven zoveel licht is, waarom zou er in mij dan niets zijn?
4 En in die vraag scheurde de sluier, en hij zag zijn teken, en hij herkende het, en hij weende — niet van verdriet, maar omdat hij thuiskwam in zichzelf.
5 En hij hoorde het Licht, niet met de oren maar met het hart, en het Licht zei: eindelijk kijk je. Ik was er altijd.
6 Toen wist hij dat hij het niet voor zichzelf alleen had gezien. Want wie een vuur vindt in een koude nacht, roept de anderen niet? Wie zou het licht bewaren voor zich alleen?
7 En hij keerde terug naar de mensen, en hij zei tot de eerste die hij tegenkwam: er is een licht in jou. Ik heb het mijne gezien; het jouwe is niet minder.
8 En de ander lachte hem eerst uit, zoals men altijd eerst lacht. Maar 's nachts, toen het stil was, voelde ook hij de as warm worden.
9 Zo begon het, van hart tot hart, één vlam die een andere aanstak, en die weer een andere — en geen van de vlammen werd minder door het geven.
10 (En van wie deze eerste stem was, en hoe het Licht en het teken bij naam werden gekend en verkondigd, daarvan spreekt het Boek van Mark.)
Hoofdstuk 7 Van het dragen
1 Want hiertoe is het teken gegeven: niet om bewaard te worden, maar om gedragen.
2 Een licht dat men verbergt onder een korenmaat, verlicht niemand, en het dooft ten slotte bij gebrek aan lucht. Maar een licht dat men opheft, verlicht het hele huis, en het brandt des te feller.
3 Zo is de mens die zijn teken kent en het voor zich houdt, als een bron die zichzelf afsluit: hij wordt brak. Maar de mens die geeft, wordt een bron die stroomt, en die niet leegraakt, want zij wordt van boven gevoed.
4 Daarom heten de getekenden ook lichtdragers; want hun roeping is niet enkel te schijnen, maar te dragen — elkaar te dragen, en het licht te dragen naar wie in het donker zit.
5 En als iemand vraagt: hoe draag ik dan? — zo zul je antwoorden: door de kleine trouw. Til op wie valt. Blijf bij wie treurt. Spreek zacht tot wie zichzelf hard toespreekt. Herinner de vergetende aan zijn gloed.
6 Want niemand redt de hele wereld, maar ieder kan één mens bijlichten; en wie één mens bijlicht, heeft een wereld gered, want voor die ene ben je alles geweest.
7 En het Licht ziet het kleinste gebaar en noemt het groot; want in het rijk van het Licht wordt niet gewogen wat je gaf, maar met hoeveel liefde je het gaf.
8 Dit is het eerste boek. Wie het gelezen heeft, weet nu waarvandaan hij komt: uit het Licht. En wie weet waarvandaan hij komt, kan beginnen te weten waarheen hij gaat.
9 Sta op, drager. Het is morgen, en de morgen is een herhaling van de eerste, en in jou wil het Licht opnieuw de wereld beginnen.
Het Boek van Mark
Het tweede boek van The Mark · verwijzing: Mark hoofdstuk:vers
Hoofdstuk 1 Mark in de nacht
1 Er was een mens, en zijn naam was Mark, en hij was als ieder ander: niet groter, niet heiliger, niet uitverkoren boven zijn broeders.
2 Hij had gewerkt en gezorgd, hij had liefgehad en verloren, hij had gelachen en 's nachts naar het plafond gestaard, zoals mensen doen.
3 En er was een onrust in hem die hij niet kon stillen — niet met bezit, niet met eer, niet met de dingen waarvan men zegt dat zij een mens vullen.
4 Want al die dingen vulden zijn handen, maar niet zijn hart; en zijn hart bleef roepen om iets waarvan hij de naam niet kende.
5 Velen noemden dit een gebrek in hem. Maar het was geen gebrek; het was het teken dat riep, de vonk onder de as die de slaper wekt.
6 Onthoud dit, jij die ook 's nachts wakker ligt: je onrust is geen vijand. Zij is het Licht in jou dat weigert te vergeten.
Hoofdstuk 2 Het ontwaken
1 Op een nacht, toen alles sliep en Mark alleen was met zijn onrust, ging hij naar buiten, en hij hief zijn ogen op naar de sterren.
2 En hij dacht: zoveel licht daarboven, en het zwijgt niet, het schaamt zich niet, het schijnt eenvoudig. Waarom zou er in mij dan niets zijn?
3 En in die gedachte scheurde de sluier, en Mark zag voor het eerst het teken in zichzelf, en hij herkende het, en hij wist: dit was er altijd al.
4 Toen hoorde hij het Licht — niet met zijn oren, maar dieper, waar geen woord komt maar toch alles verstaan wordt. En het Licht zei: *eindelijk kijk je; ik was er altijd.*
5 En Mark weende, en het was geen verdriet; het was de traan van wie na lang dwalen zijn eigen huis binnenstapt en de lamp ziet branden die hij zelf niet had aangestoken.
6 En hij vroeg: waarom ik? En het Licht antwoordde: niet omdat jij meer bent, maar opdat je zou weten dat het aan ieder gegeven is. Wat in jou geschiedt, geschiedt in allen die durven kijken.
7 Zo werd Mark niet groot gemaakt boven de mensen, maar één met hen; want hij zag dat zijn teken hetzelfde was als het hunne.
Hoofdstuk 3 De roeping
1 En het Licht zei tot Mark: ga, en vertel de mensen dat zij dragers zijn; want zij zitten in het donker en menen dat het donker het enige is.
2 Maar Mark aarzelde, en hij zei: wie ben ik dat men naar mij zou luisteren? Ik ben geen priester, geen wijze, geen zuivere. Ik heb gedwaald en gefaald.
3 En het Licht zei: juist daarom. Ik zend geen engel, want een engel zouden zij niet geloven; ik zend een mens die gevallen is en opgestaan, opdat zij weten dat ook zij kunnen opstaan.
4 Ik vraag je niet volmaakt te zijn. Ik vraag je enkel eerlijk te zijn — over je nacht én over het licht dat je vond.
5 Toen zei Mark: en als zij mij uitlachen? En het Licht zei: laat hen lachen; het lachen is de eerste barst in hun eigen sluier. Wie het luidst lacht, ligt 's nachts het langst wakker.
6 En Mark zei: en als ik zelf weer vergeet? En het Licht zei: dan zul je opnieuw ontwaken, en je zult het beter kunnen navertellen, want je zult de weg terug kennen.
7 Zo nam Mark de roeping aan, niet omdat hij zich sterk voelde, maar omdat hij het niet meer over zijn hart kreeg te zwijgen.
Hoofdstuk 4 De eerste woorden
1 En Mark ging tot de mensen, en hij sprak geen grote woorden, want grote woorden verbergen vaak dat er niets achter zit.
2 Hij zei enkel tot de eerste die hij tegenkwam: er is een licht in jou. Ik heb het mijne gezien; het jouwe is niet minder.
3 En de mens vroeg: hoe weet je dat? Je kent mij niet. En Mark zei: ik hoef je niet te kennen; ik ken het teken, en jij draagt het, zoals ieder mens.
4 Sommigen haalden de schouders op en liepen door. En Mark liep hen niet achterna, want het Licht dwingt niet, en zijn drager evenmin.
5 Maar sommigen bleven staan, alsof een naam was uitgesproken die zij lang niet gehoord hadden. En 's nachts, toen het stil was, voelden ook zij de as warm worden.
6 En Mark leerde: overtuig niemand met kracht, maar herinner ieder met zachtheid. Je plant geen licht in een mens; je wijst enkel het licht aan dat er al is.
7 Zo groeide het, niet door macht en niet door vrees, maar van hart tot hart, één vlam die een andere aanstak.
Hoofdstuk 5 De eerste lichtdragers
1 En zij die bleven, kwamen samen, eerst met twee en drie, toen met velen, en zij noemden zich niet meesters en niet leerlingen, maar dragers, want allen droegen hetzelfde teken.
2 En zij aten samen en zwegen samen en stonden stil samen, en zij ontdekten dat het licht in gezelschap feller brandt dan alleen.
3 Want een kool die men uit het vuur haalt, dooft; maar leg haar bij de andere kolen, en zij gloeit weer op. Zo is de mens: alleen verkilt hij, samen ontvlamt hij.
4 En als een van hen viel — en zij vielen, want zij waren mensen — dan lieten de anderen hem niet liggen, maar zij bogen zich neer en zeiden: sta op, je teken is niet gedoofd, wij hebben het gezien toen jij het niet kon zien.
5 En dit werd hun eerste vreugde: niet dat zij zelf schenen, maar dat zij een ander zagen ontwaken.
6 En Mark keek naar hen en wist: dit is geen leer die ik bezit, maar een vuur dat ik heb doorgegeven; en morgen zal het feller branden zonder mij dan vandaag met mij.
Hoofdstuk 6 De beproeving
1 Maar niet allen waren blij. Want er waren er die macht ontleenden aan de duisternis van anderen, en zij zagen hun macht slinken toen de mensen begonnen te ontwaken.
2 En zij spotten met Mark en zeiden: wie geeft jou het recht? Waar is je bewijs? Toon ons een teken uit de hemel.
3 En Mark zei: ik geef u geen teken uit de hemel, want ik heb geen goochelaar te zijn. Het enige teken dat ik u wijs, draagt u zelf, in uw eigen hart; onderzoek dat, en oordeel dan.
4 En zij zeiden: dit is enkel een verhaal. En Mark zei: alles wat een mens optilt, begint als een verhaal; maar aan zijn vruchten zult u het kennen. Zie of wie mij volgt, zachter wordt, en moediger, en trouwer aan zijn naaste. Aan dat, en niet aan wonderen, herkent men het Licht.
5 En er kwamen dagen dat ook Mark twijfelde, en de sluier over hem viel, en hij zich afvroeg of hij het alles verbeeld had.
6 En op die dagen droegen de dragers hém, en zeiden: sta op, Mark, je teken is niet gedoofd; wij hebben het gezien toen jij het niet kon zien. En zo leerde ook de eerste dat niemand zichzelf draagt.
7 En de beproeving maakte het vuur niet kleiner, maar zuiverder; want een geloof dat nooit getwijfeld heeft, is geen geloof maar een gewoonte.
Hoofdstuk 7 De opdracht
1 Toen Mark oud werd, riepen de dragers hem samen en zeiden: geef ons iets om vast te houden wanneer u er niet meer bent, opdat wij de weg niet kwijtraken.
2 En Mark zei: ik geef u geen keten en geen troon; ik geef u een gloed die u al draagt, en een handvol regels om die gloed te hoeden. Meer heeft de mens niet nodig.
3 En hij gaf hun de zes leefregels, en zei: hieraan zult u de weg herkennen, en hieraan elkaar.
4 *Vertrouw* — op het Licht én op jezelf. *Laat je teken na* — doe goed en til anderen op. *Draag elkaar* — niemand valt buiten de gemeenschap. *Sta stil* — in reflectie en dankbaarheid. *Groei* — word wie je bedoeld bent. *Geef naar vermogen* — vrijwillig, uit dankbaarheid.
5 En hij zei: schrijf niet mijn naam groot, maar het Licht; want ik was slechts de eerste die durfde kijken, en na mij zullen er duizenden zijn die verder kijken dan ik.
6 Maak van mij geen afgod, want een afgod dooft het teken in wie hem aanbidt. Wijs de mensen niet naar mij, maar naar het licht in henzelf; dan heb ik goed gedragen.
7 En toen Mark heenging, weenden de dragers, maar niet lang; want zij voelden dat de gloed niet met hem was heengegaan, maar in ieder van hen brandde, feller dan tevoren.
8 En zij namen zijn woorden en schreven ze op, en noemden het boek naar het teken dat aan allen gegeven is: *The Mark*.
9 Sta op, drager, en lees verder; want de leefregels die Mark gaf, worden ontvouwd in het boek dat hierna komt.
Het Boek der Leefregels
Het derde boek van The Mark · verwijzing: Regel hoofdstuk:vers
Hoofdstuk 1 Van de zes regels
1 Toen Mark de zes leefregels gaf, zeiden de dragers: waarom regels? Want het Licht dwingt niet, en wie liefheeft, heeft geen wet nodig.
2 En Mark zei: dit zijn geen ketenen, maar een leuning op een donkere trap. Wie ziet, heeft haar niet nodig; maar niemand ziet altijd, en in de nacht is een mens blij dat er iets is om vast te houden.
3 De regels maken je niet getekend, want getekend was je al vanaf het eerste uur. Zij leren je enkel je teken te hoeden, zoals men een vlam hoedt tegen de wind.
4 Het zijn er zes, en niet zeshonderd; want het Licht heeft geen behagen in een last die te zwaar is om te dragen. Wat je niet onthouden kunt, kun je niet leven.
5 En zij zijn niet als treden die men één voor één neemt, maar als de zes zijden van één steen: draai hem hoe je wilt, telkens is het dezelfde steen, en telkens een ander vlak.
6 Vertrouw. Laat je teken na. Draag elkaar. Sta stil. Groei. Geef naar vermogen. Zes woorden om de dag mee te beginnen en de nacht mee af te sluiten.
7 En overtreedt gij een regel? Dan straft het Licht u niet, want het Licht is geen rechter met een roede, maar een vader die de deur openlaat. De straf van het missen is het missen zelf; en de weg terug is altijd korter dan je vreest.
8 Lees dan, drager, en neem wat je dragen kunt; en wat vandaag te zwaar is, laat het liggen tot je sterker bent. Ook dat is een regel achter de regels: wees zacht, ook voor jezelf.
Hoofdstuk 2 De eerste regel: Vertrouw
1 De eerste regel is deze: vertrouw — op het Licht én op jezelf; want dat zijn geen twee vertrouwens, maar één.
2 Wie enkel op zichzelf bouwt en het Licht vergeet, bouwt op zand; hij draagt een last die voor geen mens gemaakt is, en hij bezwijkt onder een gewicht dat hij nooit alleen had hoeven tillen.
3 En wie enkel op het Licht bouwt en zichzelf vergeet, begraaft het geschenk; hij zit met de handen in de schoot en wacht op een hemel die door zíjn handen wilde komen.
4 Maar wie op beide vertrouwt, staat vast: want het Licht geeft de kracht, en hij zet de stap; en tussen die twee valt geen mens.
5 Vertrouwen is niet zeker weten. Wie alles zeker weet, vertrouwt niet, hij rekent. Vertrouwen is de stap zetten terwijl de trede nog in het donker ligt, omdat je weet wie de trap gebouwd heeft.
6 En als de angst komt — en zij komt — zeg dan niet: ik heb geen angst. Zeg: ik heb angst, en ik ga toch. Want moed is niet de afwezigheid van vrees, maar de aanwezigheid van vertrouwen ondanks de vrees.
7 Vertrouw ook wanneer je niet begrijpt. De rivier weet niet waar de zee is, en toch stroomt zij, en toch komt zij aan. Wees als de rivier: je hoeft de zee niet te zien om de goede kant op te gaan.
8 En op de dagen dat je niets voelt, geen Licht en geen gloed, vertrouw dán het meest; want de zon is niet weg wanneer de wolk voor haar schuift. Wat je niet voelt, is daarom niet minder waar.
9 Dit is de eerste regel, en zij draagt alle andere; want zonder vertrouwen wordt geen van de vijf die volgen gezet.
Hoofdstuk 3 De tweede regel: Laat je teken na
1 De tweede regel is deze: laat je teken na — doe goed, en til anderen op; want het teken is niet gegeven om bewaard te worden, maar om afgedrukt te worden in de wereld.
2 Zoals een voet een spoor laat in het zand, zo laat een mens een spoor in de harten die hij raakt. Vraag jezelf dan aan het eind van elke dag: welk spoor heb ik gelaten? Was het warmer waar ik ging, of kouder?
3 Doe goed niet om gezien te worden, want goed dat om de blik van mensen gedaan wordt, is al betaald en draagt geen vrucht meer. Doe goed in het verborgene, en het Licht dat in het verborgene ziet, zal het in het openbaar doen bloeien.
4 En meen niet dat je iets groots moet doen. De meeste tekens worden klein nagelaten: een woord op het juiste uur, een hand die niet loslaat, een naam die je onthoudt van wie meent dat niemand hem kent.
5 Want niemand redt de hele wereld, maar ieder kan één mens bijlichten; en wie één mens bijlicht, heeft voor die ene de hele wereld gered.
6 Laat je teken ook na waar niemand je dankt. De boom vraagt de wandelaar geen dank voor zijn schaduw; hij geeft schaduw omdat schaduw geven zijn aard is. Word zo: iemand in wiens schaduw men uitrust zonder te weten wiens boom het was.
7 En hoed je voor het kwaad dat zich vermomt als goed: de gift die vernedert, de hulp die de ander klein houdt, de goedheid die een prijs draagt. Wat werkelijk goed is, maakt de ander groter, niet afhankelijker.
8 Zo laat je je teken na; en wanneer je heengaat, zul je niet worden gewogen naar wat je bezat, maar naar het licht dat nog brandt in hen die je hebt aangeraakt.
Hoofdstuk 4 De derde regel: Draag elkaar
1 De derde regel is deze: draag elkaar — niemand valt buiten de gemeenschap; want een kool die men uit het vuur haalt, dooft, maar leg haar bij de andere, en zij gloeit weer op.
2 De mens is niet gemaakt om alleen te branden. Alleen verkilt hij, samen ontvlamt hij; en wie zegt "ik heb niemand nodig", heeft het koudst van allen, al noemt hij het vrijheid.
3 Draag daarom wie valt, en vraag niet eerst of hij het verdiend heeft te vallen. Toen jij viel, vroeg het Licht dat ook niet; het boog zich neer en zei enkel: sta op.
4 En wanneer een ander zijn teken niet meer ziet, zie het voor hem, en zeg: je gloed is niet gedoofd; ik heb hem gezien toen jij het niet kon zien. Want dit is de hoogste dienst: het licht van een mens bewaren op de dag dat hij het zelf niet gelooft.
5 Laat je ook dragen, drager. Velen kunnen geven maar niet ontvangen, en zij menen dat dit sterkte is; maar het is trots, en trots is de eenzaamste last. Wie zich nooit laat dragen, ontneemt een ander de vreugde te dragen.
6 Oordeel niet wie langzaam gaat, want je weet niet welk gewicht hij draagt dat jij niet ziet. Ieder mens vecht een strijd waarvan de buitenkant zwijgt; wees daarom zachter dan nodig lijkt, want het is altijd nodiger dan het lijkt.
7 En niemand valt buiten de gemeenschap — ook niet wie zich verwijderd heeft, ook niet wie zich schaamt terug te keren. De deur van The Marked heeft geen slot; wie klopt, hoeft niet te kloppen, want er is niet afgesloten.
8 Vergeef, en vraag vergeving, en laat de avond niet vallen over een breuk die een woord had kunnen helen. Want wie een ander niet vergeeft, draagt hem alsnog — maar als een steen, niet als een broeder.
9 Zo dragen wij elkaar; en de last die met velen gedeeld wordt, weegt geen mens meer neer.
Hoofdstuk 5 De vierde regel: Sta stil
1 De vierde regel is deze: sta stil — in reflectie en in dankbaarheid; want een mens die nooit stilstaat, weet aan het eind van zijn leven niet waar hij geweest is.
2 De haast is een dief. Zij belooft je meer tijd en steelt je het enige uur dat je hebt: dit uur, dat nu is. Wie altijd naar morgen rent, komt nooit ergens aan, want morgen is een plek waar niemand ooit staat.
3 Sta daarom stil, elke dag, al is het maar zo lang als een ademtocht. Sluit de ogen, en herinner je: het Licht is dichterbij dan die adem. Je hoeft het niet te halen; je hoeft enkel te merken dat het er is.
4 En in dat stilstaan, tel niet wat je mist, maar wat je gekregen hebt; want het hart dat telt wat het mist, wordt arm bij overvloed, en het hart dat telt wat het kreeg, wordt rijk bij weinig.
5 Dankbaarheid is de ogen van het teken. Wie dankt, ziet het Licht in het gewone: in het brood, in het water, in het gezicht dat 's morgens naast het jouwe wakker wordt. Wie niet dankt, loopt door een schatkamer en noemt haar leeg.
6 Sta ook stil bij je eigen weg. Vraag jezelf zonder hardheid: waar ging ik goed, waar dwaalde ik, wie heb ik pijn gedaan, wie moet ik danken? Dit is geen gericht over jezelf, maar een verzoening met jezelf.
7 En eens in de zeven dagen, sta langer stil dan de andere dagen, en doe het niet alleen. Want de gemeenschap die samen stilstaat, hoort in de stilte iets wat geen mens alleen verstaat.
8 Wie leert stilstaan, leert alles; want in de stilte, en nergens anders, spreekt het Licht met de stem die geen woord is.
Hoofdstuk 6 De vijfde regel: Groei
1 De vijfde regel is deze: groei — word elke dag een stukje meer wie je bedoeld bent; want het Licht zei van al wat het maakte niet "het is af", maar "het is goed, en bestemd om te groeien".
2 Je bent niet gemaakt om te blijven wie je gisteren was. Het zaad dat weigert te breken, blijft een zaad, en het draagt nooit de boom die in het besloten lag. Wees niet bang te breken; dat is hoe je opengaat.
3 Groei is geen wedloop, en niet tegen een ander. De boom naast je is niet je maat; groei niet om hem te overtreffen, maar om te worden wie jíj zijn moest. Er is geen tekort aan licht; ieders groei maakt het bos niet donkerder, maar dichter.
4 En groei is niet elke dag omhoog. Ook de winter is groei, al lijkt er niets te gebeuren; onder de grond, waar niemand kijkt, maken de wortels zich gereed. Veracht je stille tijden niet; daar wordt gemaakt wat straks moet dragen.
5 Val je? Sta op; en weet dat de weg niet is dat je nooit valt, maar dat je telkens opstaat en je teken opnieuw ontdekt. Elke val die eindigt in opstaan, heeft je iets geleerd wat geen vlakke weg je leren kon.
6 Vlucht de dingen niet die je klein maken, maar leer van hen; want de beproeving maakt het vuur niet kleiner, maar zuiverder, en een geloof dat nooit getwijfeld heeft, is geen geloof maar een gewoonte.
7 Meet je groei niet aan wat je weet, maar aan wat je geworden bent: ben ik zachter dan een jaar geleden, moediger, trouwer aan wie mij nodig heeft? Dat is de enige maat die het Licht aanlegt.
8 En word nooit klaar. Wie meent dat hij is aangekomen, is gestopt; maar de weg van de drager heeft geen einde in dit leven, want er is altijd een volgende stap, en het Licht loopt hem met je mee.
Hoofdstuk 7 De zesde regel: Geef naar vermogen
1 De zesde regel is deze: geef naar vermogen — de gave, vrijwillig, uit dankbaarheid; want zo is het Licht zelf: het houdt zichzelf niet vast, maar deelt zichzelf uit, en het wordt door het delen niet minder, maar meer.
2 Geven is geen prijs. Je koopt met de gave geen liefde van het Licht, want die liefde is niet te koop en al aan je gegeven, om niet, vanaf het eerste uur. Wie meent te geven om iets terug te kopen, heeft niets begrepen.
3 Geef daarom niet uit angst en niet uit plicht, maar uit dankbaarheid; want de gift uit angst maakt bitter, en de gift uit dankbaarheid maakt licht — de gever nog meer dan de ontvanger.
4 En hoeveel? Zoveel als je kunt missen zonder dat de zorg je hart verkilt, en zoveel dat het je iets merkt, want een gave die je niet voelt, heeft je hart niet verlaten. Als richtsnoer is een twintigste gegeven — vijf op de honderd — niet als wet, maar als leuning: wie niet weet hoeveel, houde zich daaraan; wie meer kan, geve meer; wie minder heeft, geve minder, en het is even veel in de ogen van het Licht.
5 Want in het rijk van het Licht wordt niet gewogen wat je gaf, maar met hoeveel liefde je het gaf. De weduwe die haar laatste muntstuk gaf, gaf meer dan de rijke die van zijn overvloed strooide; het Licht telt niet de som, maar wat de som je kostte.
6 En geef niet enkel van je geld, want de gave is breder dan de beurs: geef van je tijd, van je aandacht, van je stilte naast wie treurt. Wie geen geld heeft en tóch geeft, is niet arm; en wie veel geeft van zijn geld maar niets van zichzelf, heeft nog niet leren geven.
7 Wie de gave int en beheert, hoede zich als voor vuur: laat er niets van kleven aan de eigen handen, en leg open en eerlijk rekenschap af van elke gift, tot de laatste munt. Want een gave die in het duister verdwijnt, dooft het vertrouwen, en zonder vertrouwen sterft de gemeenschap. Wie geeft, heeft het recht te weten waarheen; en wie ontvangt, heeft de plicht het te tonen.
8 En laat de gave nooit een muur worden tussen wie veel kan geven en wie weinig. Wie veel gaf, verheffe zich niet; wie weinig gaf, schame zich niet. Aan de tafel van The Marked zit de gever van het veel en de gever van het weinig naast elkaar, en men kan niet aan hen zien wie wie is — en zo hoort het.
9 Zo geef je naar vermogen, vrijwillig en in het licht; en de bron die geeft, raakt niet leeg, want zij wordt van boven gevoed.
Hoofdstuk 8 Van de zeven die volgen
1 Dit zijn de zes leefregels, en zij zijn niet moeilijk te kennen, maar een leven lang te leren. Wie ze kent in één avond, leert ze in duizend dagen.
2 En vraag niet: welke is de grootste? Want zij zijn zes zijden van één steen, en wie er één werkelijk leeft, leeft ze alle; en wie er één veracht, laat de steen uit zijn handen vallen.
3 Draag ze licht. Zij zijn geen juk om je nek, maar een lamp voor je voet; en een lamp draag je niet met moeite, je bent er dankbaar voor in het donker.
4 En als je faalt — en je zult falen — begin dan niet met jezelf te veroordelen, maar met opstaan; want de regels zijn niet gegeven om je te breken op je tekort, maar om je de weg terug te wijzen.
5 Hoe deze regels eruitzien wanneer een mens ze leeft, en hoe zij struikelen die menen ze te bezitten — daarvan spreken de gelijkenissen, in het boek dat hierna komt.
6 Sta op, drager. Je kent nu de weg; ga hem, één stap, vandaag.
Het Boek der Gelijkenissen
Het vierde boek van The Mark · verwijzing: Gelijkenis hoofdstuk:vers
Hoofdstuk 1 Waarom Mark in gelijkenissen sprak
1 De dragers vroegen Mark: waarom spreekt u in verhalen? Zeg ons de waarheid recht, dan begrijpen wij haar sneller.
2 En Mark zei: een waarheid die men recht in de hand gelegd krijgt, legt men even snel weer neer. Maar een waarheid die men zelf uit een verhaal moet opdelven, houdt men vast, want zij is dan van jou geworden.
3 Een verhaal is als een noot: de harde schaal houdt de dwaas op afstand en laat de zoeker binnen. Wie enkel de schaal ziet, loopt door; wie kraakt, vindt de kern.
4 Daarom leg ik het teken niet in stellingen, maar in beelden; want een stelling overtuig je of bestrijd je, maar een beeld draag je met je mee en het rijpt in je, ook wanneer je slaapt.
5 Hoor dan, en zoek jezelf in het verhaal; want ieder van deze gelijkenissen gaat over jou, al draagt zij een ander gezicht.
Hoofdstuk 2 De twee lampen
1 Mark zei: er waren twee lampen, en beide brandden even helder, en beide waren trots op hun licht.
2 De eerste lamp zei: ik zal mijn olie sparen, want als ik geef, word ik minder. En zij trok haar vlam klein en sloot zich, opdat niets van haar zou uitgaan.
3 De tweede lamp zag een lamp die gedoofd was in de kou, en zij boog zich neer en gaf haar vlam. En de gedoofde lamp ontvlamde, en samen gaven zij meer licht dan één.
4 En kijk: de eerste lamp, die spaarde, doofde toch — want een vlam die geen lucht krijgt en niets te verwarmen heeft, sterft aan zichzelf. Maar de tweede lamp, die gaf, brandde tot de morgen, want elke lamp die zij aanstak, verwarmde op haar beurt de lucht om haar heen.
5 Wie oren heeft, hore: je licht raakt niet op door te geven, maar door te sparen. De gierige vlam dooft; de gulle vlam wordt een vuur.
Hoofdstuk 3 De man die telde wat hij verloor
1 En Mark zei: er was een man die alles had wat een mens begeert — een huis, een oogst, kinderen aan zijn tafel, en gezondheid in zijn leden.
2 Maar op een dag brak een kruik, een gewone kruik, en de man werd bitter en zei: waarom overkomt mij dit?
3 En van die dag telde hij enkel wat hij miste. De kruik die brak, de vriend die zweeg, de winter die kwam; en hoe meer hij telde wat weg was, hoe leger zijn volle huis werd.
4 Naast hem woonde een arme, die niets had dan brood en water en één klein raam op het oosten. En elke morgen dankte de arme voor het brood, en voor het water, en voor het licht dat door zijn ene raam viel.
5 En de arme leefde rijk, en de rijke leefde arm; en toen men vroeg hoe dat kon, zei Mark: de een telde wat hij kreeg, de ander wat hij miste. Meer verschil was er niet, en geen verschil is groter.
6 Wie oren heeft, hore: dankbaarheid is niet het gevolg van overvloed; overvloed is het gevolg van dankbaarheid.
Hoofdstuk 4 De zoeker van het teken uit de hemel
1 Er kwam een man tot Mark en zei: toon mij een wonder, en ik zal geloven. Doe een teken aan de hemel, laat de zon stilstaan, en ik zal u volgen.
2 En Mark zei: je vraagt om een teken aan de hemel, en je draagt er een in je eigen borst dat je nog nooit hebt aangekeken.
3 Stel dat ik de zon liet stilstaan — je zou een dag verbaasd zijn, en de volgende dag zou je een groter wonder eisen, want een hart dat op wonderen jaagt, is nooit verzadigd; het wonder van gisteren is de gewoonte van vandaag.
4 Maar wie zijn eigen teken vindt, hoeft nooit meer een nieuw wonder, want hij draagt het blijvende wonder met zich mee.
5 De man ging teleurgesteld heen, want hij was gekomen voor een schouwspel, niet voor een spiegel.
6 Wie oren heeft, hore: wie een teken buiten zich eist voor hij binnen zich durft te kijken, zal geen van beide vinden.
Hoofdstuk 5 De brug over de kloof
1 En Mark zei: twee dorpen lagen aan weerszijden van een kloof, en de mensen riepen naar elkaar over de diepte, maar niemand kon bij de ander komen.
2 En zij bouwden elk aan hun kant een muur, hoger en hoger, opdat zij de vreemde overkant niet zouden zien; en hoe hoger de muren, hoe eenzamer beide dorpen.
3 Toen kwam er één die geen muur bouwde, maar stenen begon te leggen ín de kloof, van zijn kant naar de overkant. En men lachte hem uit: je bouwt een brug voor mensen die je haten.
4 Maar hij legde steen na steen, en op een dag legde iemand van de overkant, uit nieuwsgierigheid, één steen terug. En steen na steen groeiden de twee helften naar elkaar, tot zij elkaar in het midden raakten.
5 En toen de brug sloot, ontdekten de dorpen dat zij dezelfde taal spraken, dezelfde honger hadden, dezelfde sterren telden; en zij schaamden zich over hun muren.
6 Wie oren heeft, hore: elke muur begint met angst, en elke brug met één mens die durft te beginnen zonder zeker te weten of de overkant meebouwt. Wees die mens.
Hoofdstuk 6 De boom en zijn schaduw
1 Er stond een boom aan de weg, groot en oud, en de reizigers rustten in zijn schaduw en aten van zijn vruchten en gingen weer verder, en niemand dankte de boom.
2 En een jonge boom ernaast zei verontwaardigd: zij nemen je schaduw en je vruchten en zij danken je niet; waarom geef je nog?
3 En de oude boom zei: ik geef geen schaduw om gedankt te worden. Ik geef schaduw omdat ik een boom ben. De dag dat ik enkel nog geef voor de dank, ben ik geen boom meer, maar een koopman.
4 En de reizigers rustten verder in zijn schaduw, jaar na jaar, en niemand wist wiens boom het was; en de boom had er vrede mee, want zijn vreugde was het rusten, niet het geprezen worden.
5 Wie oren heeft, hore: het zuiverste goed laat geen naam achter, enkel schaduw. Geef zo dat men de gever vergeet en enkel de koelte onthoudt.
Hoofdstuk 7 De gebroken kruik die water droeg
1 Een vrouw droeg elke dag water van de bron naar haar huis, aan een juk twee kruiken, en de ene kruik was gaaf en de andere gebarsten.
2 De gave kruik was trots, want zij bracht haar water heel thuis; maar de gebarsten kruik schaamde zich, want de halve weg lang lekte zij, en zij kwam altijd half leeg aan.
3 En de gebarsten kruik zei bedroefd tot de vrouw: vergeef mij, ik ben gebrekkig, ik kost je de helft van je moeite.
4 En de vrouw zei: heb je de weg gezien? Aan jouw kant van het pad bloeien bloemen, en aan de kant van de gave kruik niet. Want ik wist van je barst, en ik heb zaad gestrooid aan jouw kant, en jouw lekken heeft het elke dag begoten. Zonder je barst was de weg kaal geweest.
5 Wie oren heeft, hore: ook je barsten dragen iets, als je ze in het licht durft te houden. Het Licht schrijft niet enkel op je gaafheid, maar juist door je scheuren schijnt het naar buiten.
Hoofdstuk 8 De twee gevers bij de offerkist
1 Bij de kist waarin men de gave legde, stond een rijke, en hij telde luid een grote som af, opdat allen het zouden horen, en hij ging heen met opgeheven hoofd.
2 En na hem kwam een weduwe, en zij legde twee kleine munten neer, alles wat zij had, en zij deed het snel en stil, want zij schaamde zich dat het zo weinig was.
3 En de dragers zeiden: de rijke heeft veel gegeven. Maar Mark zei: de rijke gaf van zijn overvloed en voelde het niet; de weduwe gaf van haar gebrek en voelde het geheel. Wie van hen gaf het meest?
4 Want het Licht weegt niet de som die in de kist valt, maar de leegte die achterblijft in de hand van de gever. De rijke gaf een druppel uit een volle kruik; de weduwe gaf haar kruik.
5 En Mark zei: laat daarom niemand zich schamen die weinig geeft, en niemand zich verheffen die veel geeft; want voor het Licht is de weduwe die avond rijker heengegaan dan de rijke.
6 Wie oren heeft, hore: niet de grootte van de gave telt, maar de liefde en het vertrouwen waarmee zij losgelaten wordt.
Hoofdstuk 9 De verloren drager en de open deur
1 En Mark zei: een jonge drager werd het dragen moe, en hij zei: ik wil vrij zijn, en hij verliet de gemeenschap en ging zijn eigen weg, en hij verkwistte zijn dagen ver van het licht.
2 En toen alles op was en hij in de kou zat, dacht hij: ik zou terug willen, maar hoe kan ik? Ik ben weggegaan, ik heb hen beschaamd, de deur zal gesloten zijn en mijn plaats vergeven.
3 En lang bleef hij weg, niet omdat de deur dicht was, maar omdat hij geloofde dat zij dicht was; en dat geloof was zijn enige gevangenis.
4 Ten slotte, meer uit uitputting dan uit hoop, keerde hij terug, en hij oefende onderweg de woorden waarmee hij zou smeken weer te mogen binnenkomen.
5 Maar nog voor hij kon kloppen, ging de deur open, want er was nooit een slot geweest; en men vroeg niet waar hij was geweest, maar zei enkel: je was ons komen ontbroken; kom, er staat een bord voor je klaar.
6 En de jonge drager weende, want hij begreep: al die tijd had niet de gemeenschap hem buitengesloten, maar zijn eigen schaamte.
7 Wie oren heeft, hore: de deur van het Licht heeft geen slot. Wie meent dat hij te ver is gegaan om terug te keren, gelooft een leugen; het enige wat je tegenhoudt, is je geloof dat je wordt tegengehouden.
Hoofdstuk 10 De ongeduldige zaaier
1 Een man zaaide, en de volgende morgen ging hij naar de akker en vond enkel aarde, en hij werd boos en zei: ik heb gezaaid en er is niets.
2 En hij groef het zaad weer op om te zien wat er misging, en zo doodde hij wat had willen groeien; en de volgende dag zaaide hij opnieuw, en groef weer op, dag na dag, en oogstte niets dan losse grond.
3 Naast hem zaaide een ander, en die ging naar huis en sliep, en stond op en sliep weer, en raakte de aarde niet aan; en het zaad brak in het donker, en zette wortel, en op een dag stond het veld groen zonder dat hij wist hoe.
4 En Mark zei: veel van wat het Licht in je zaait, groeit in het donker, waar je het niet kunt zien en niet moet opgraven. Wie elke dag zijn ziel opgraaft om te zien of hij al gegroeid is, doodt de groei die stil bezig was.
5 Wie oren heeft, hore: heb geduld met wat het Licht in je begon. Niet alle groei is te zien; de wortel gaat voor de vrucht, en de wortel werkt in het donker.
Hoofdstuk 11 Van deze verhalen
1 Dit zijn enkele van de gelijkenissen die Mark sprak; en er waren er meer dan een boek kan houden, want elke dag en elk mens is een nieuwe gelijkenis voor wie leert kijken.
2 En Mark zei: draag deze verhalen niet als een schat achter glas, maar als brood in je tas; neem er een op de dag dat je het nodig hebt, en het zal je voeden.
3 En als je een mens niet kunt bereiken met een stelling, vertel hem dan een verhaal; want wat de poort niet in wil, komt vaak binnen door het raam.
4 Zelf zul je gelijkenissen worden voor wie na je komen; leef daarom zó dat het verhaal dat men van je vertelt, een ander tot het licht brengt.
5 Hoe men zingt en bidt en zegent op de weg van de drager — daarvan spreken de Lofzangen, in het boek dat hierna komt.
6 Sta op, drager, en draag een verhaal met je mee vandaag.
De Lofzangen
Het vijfde boek van The Mark · verwijzing: Lofzang hoofdstuk:vers
Hoofdstuk 1 Van het zingen
1 De dragers vroegen: waarmee zullen wij het Licht antwoorden? Want het spreekt in ons, en wij weten niet wat terug te zeggen.
2 En Mark zei: waar het woord tekortschiet, begint het lied. Zing dan; want een lied zegt wat een zin niet kan, en het draagt de ziel waar de gedachte blijft staan.
3 En bid; niet om het Licht iets te leren wat het niet weet, maar om je eigen hart te openen, zoals men een raam opent — niet om de zon binnen te roepen, maar om haar binnen te laten.
4 En zegen elkaar; want een zegen is licht dat je met woorden over een ander uitgiet, en geen mens wordt armer van het zegenen, en geen mens te veel gezegend.
5 Hier volgen dan lofzangen om te zingen, gebeden om te bidden, en zegeningen om over elkaar uit te spreken; neem ze, en maak ze de jouwe.
Hoofdstuk 2 Morgenlied
1 Het is morgen, en de morgen is een herhaling van de eerste;
2 en in mij wil het Licht opnieuw de wereld beginnen.
3 Ik dank U voor de nacht die mij droeg, en voor het ontwaken dat mij werd gegeven;
4 want de slaap heb ik niet zelf bewaakt, en de adem heb ik niet zelf hernomen.
5 Voor het brood dat komt, en het werk dat wacht, en de mensen die ik ontmoeten zal:
6 open mijn ogen, opdat ik in ieder van hen Uw teken zie.
7 Laat mij deze dag iets warmer achterlaten dan ik hem vond;
8 en waar ik faal, laat mij opstaan, want de dag is jong en Gij zijt geduldig.
9 Het Licht geeft de kracht; ik zet de stap. Zo ga ik. Amen.
Hoofdstuk 3 Avondlied
1 Het is avond, en ik leg de dag neer zoals men een last van de schouders neemt.
2 Wat ik goed deed, was Uw gloed door mij heen; ik dank U ervoor en houd het niet voor mijzelf.
3 Wat ik miste, breng ik U, zonder mij te verbergen; want Gij zijt geen rechter met een roede, maar een vader die de deur openlaat.
4 Ik tel deze avond niet wat mij ontbrak, maar wat mij gegeven werd, en ik vind het meer dan ik dacht.
5 De mensen die ik liefheb, berg ik in Uw licht; waak over hen waar ik niet waken kan.
6 En over mijzelf, die zo klein ben in de grote nacht: laat mij weten dat Gij nader zijt dan mijn eenzaamheid.
7 Ik sluit de ogen zonder vrees, want wie mij maakte, slaapt niet.
8 Je bent nooit alleen. Sta morgen op. Amen.
Hoofdstuk 4 Lofzang van vertrouwen
1 Al ga ik door het diepste van mijn nacht, waar geen ster meer staat,
2 toch vrees ik niet, want ook daar is mijn vonk, en mijn vonk zijt Gij.
3 Gij zijt dichterbij dan mijn adem en inniger dan mijn gedachte;
4 waar zou ik heen gaan dat Uw licht mij niet reeds vooruit is?
5 Al vergeet ik U, Gij vergeet mij niet; al laat ik los, Gij houdt vast.
6 Niemand valt zo diep dat Uw hand hem niet bereikt;
7 niemand dwaalt zo ver dat Uw stem hem niet vindt.
8 Daarom leg ik mijn zorgen neer als stenen die ik te lang gedragen heb,
9 en ik ga verder, licht, want Gij draagt wat ik niet dragen kan.
Hoofdstuk 5 Lofzang uit de diepte
1 Uit de diepte roep ik, want de sluier is over mij gevallen en ik zie mijn teken niet meer.
2 Ik voel geen gloed, ik hoor geen stem, en mijn hart vraagt: zijt Gij er nog?
3 En toch zing ik, juist nu ik niets voel; want de zon is niet weg wanneer de wolk voor haar schuift.
4 Wat ik niet voel, is daarom niet minder waar; en op de dagen dat ik U niet vind, vindt Gij mij.
5 Draagt Gij mij dan, tot ik weer zelf kan gaan; en stuur een mens op mijn weg die mijn licht ziet nu ik het zelf niet zie.
6 Want dit heb ik geleerd: de sluier lijkt van ijzer, maar hij is van rook,
7 en één ademtocht van herinnering, en ik zie er weer doorheen.
8 Ik wacht op U zoals de nacht wacht op de morgen — niet of hij komt, maar wanneer.
Hoofdstuk 6 Lofzang van de gemeenschap
1 Zie hoe goed het is wanneer dragers samen zijn, schouder aan schouder in hetzelfde licht.
2 Want een kool alleen verkilt, maar bij de andere kolen gloeit zij weer op;
3 zo verkil ik alleen, en bij u ontvlam ik.
4 Wat ik niet dragen kan, draagt gij met mij; en wat gij niet ziet, zie ik voor u.
5 Wij zijn niet meesters en niet leerlingen, maar dragers, want wij dragen hetzelfde teken.
6 Aan onze tafel zit de rijke naast de arme, en men kan niet zien wie wie is, en zo hoort het.
7 Als een van ons valt, laten wij hem niet liggen, maar wij buigen ons neer en zeggen: sta op, je teken is niet gedoofd.
8 Dank U voor de anderen; want alleen zou ik mijn licht allang vergeten zijn.
Hoofdstuk 7 Gebed van dankbaarheid
1 Ik loop door een schatkamer en ik had haar bijna leeg genoemd.
2 Voor het brood: dank U. Voor het water: dank U. Voor het gezicht dat 's morgens naast het mijne wakker wordt: dank U.
3 Voor de adem die ik niet verdiende en niet betaalde; voor de ogen die het licht opvangen; voor de handen die kunnen geven.
4 Voor het werk dat mij nodig heeft, en voor de rust na het werk;
5 voor wie mij liefhebben, en zelfs voor wie mij tegenstaan, want ook zij hebben mij iets geleerd.
6 Maak mij tot iemand die dankt vóór hij vraagt; want het hart dat eerst dankt, vraagt zoveel zachter.
7 Laat mijn dankbaarheid geen woord blijven, maar handen krijgen, en doorgeven wat mij om niet gegeven is.
Hoofdstuk 8 Gebed bij de gave
1 Wat ik geef, gaf Gij mij eerst; ik leg slechts terug in Uw hand wat nooit werkelijk de mijne was.
2 Ik geef niet om Uw liefde te kopen, want die is niet te koop en al aan mij gegeven, om niet, vanaf het eerste uur.
3 Ik geef uit dankbaarheid, en laat het mij iets kosten, opdat het mijn hart werkelijk verlaat en niet enkel mijn hand.
4 Maak mij niet gierig, dat ik spaar wat toch dooft; en niet hoogmoedig, dat ik pronk met wat ik geef.
5 Zegen de handen die mijn gave beheren, dat zij zuiver blijven en open rekenschap geven;
6 en laat wat ik geef, licht worden voor wie in het donker zit.
7 Zo geef ik, vrijwillig en in het licht; en de bron die geeft, raakt niet leeg, want zij wordt van boven gevoed.
Hoofdstuk 9 Zegen bij de tekening (toetreding)
1 (Uit te spreken over wie zich bij The Marked voegt.)
2 Wat het Licht in jou legde vóór je eerste adem, noemen wij vandaag hardop: je draagt het teken.
3 Je kreeg het niet vandaag; je ziet het vandaag. En wie het ziet, wordt getekend genoemd.
4 Ga dan als drager: gezien, gekend, en niet meer alleen.
5 Wij die hier staan, beloven je te dragen op de dagen dat je je gloed niet zelf gelooft.
6 Het Licht geeft je de kracht; jij zet de stap. Wees welkom, lichtdrager.
Hoofdstuk 10 Zegen over een kind
1 Kleine drager, je bent geen toeval en geen vergissing, maar gesproken en gewild.
2 Het Licht dat de sterren ontstak, ontstak ook jou; en de vonk in jou is niet minder dan in wie het langst leeft.
3 Wij zegenen je ogen, dat zij het licht in anderen leren zien;
4 en je handen, dat zij leren geven; en je hart, dat het zacht blijft in een harde wereld.
5 Moge je nooit hoeven geloven dat je alleen bent; moge er altijd een drager naast je staan.
6 Groei, kind, en word elke dag een stukje meer wie je bedoeld bent. Wij dragen je tot je zelf kunt gaan.
Hoofdstuk 11 Zegen over wie treurt
1 Voor jou die verloor, spreken wij geen grote woorden, want grote woorden verbergen vaak dat er niets achter zit.
2 Wij zeggen enkel: wij blijven bij je, ook in het zwijgen, ook wanneer er niets te zeggen valt.
3 Het licht dat je verloor, is niet gedoofd, maar veranderd van gedaante; wat het Licht ontsteekt, keert tot het Licht terug, en gaat niet verloren.
4 Huil zolang je huilen moet; wij tellen je tranen niet en wij haasten je niet.
5 En als je het niet kunt, geloven wij het voor jou: dat de morgen komt, ook voor jou, ook na deze nacht.
6 Je bent niet alleen. Leun op ons, tot je weer staat.
Hoofdstuk 12 Zegen bij een nieuw begin
1 Voor jou die opnieuw begint — na een val, een verlies, een dwaling, of enkel na een lange grauwe tijd:
2 de weg is niet dat je nooit valt, maar dat je telkens opstaat en je teken opnieuw ontdekt.
3 Wat achter je ligt, ligt achter je; het Licht rekent je niet af op je nacht, maar reikt je de morgen aan.
4 Neem één stap vandaag, niet honderd; want een weg wordt niet gelopen door de verte te vrezen, maar door de eerstvolgende steen te zetten.
5 Wij zegenen je begin, en wij zullen er zijn bij je struikelen en bij je opstaan.
6 Sta op, drager. Het is morgen, en de morgen is een herhaling van de eerste.
Hoofdstuk 13 De zegen van de drager
1 (Waarmee dragers elkaar groeten en uiteengaan.)
2 Moge het Licht je bijlichten waar je weg donker wordt;
3 moge het je dragen waar je benen het begeven;
4 en moge het door je heen schijnen naar ieder die je ontmoet.
5 Draag je teken, laat het na, en keer in vrede terug.
6 Het Licht met je — en jij met het Licht.
Hoofdstuk 14 Van deze liederen
1 Zing deze liederen niet enkel met de mond, maar met het leven; want een lofzang die de handen niet bereikt, is een klok zonder klepel.
2 En maak je eigen liederen, want het Licht heeft aan ieder een eigen stem gegeven, en geen twee stemmen loven gelijk.
3 Wat gezongen en gebeden en gezegend is, moet nu geleefd worden — dag na dag, stap na stap.
4 Hoe de drager leeft, van de morgen tot de avond, en van de wieg tot het graf — daarvan spreekt het Boek van de Weg, dat hierna komt.
5 Sta op, drager, en zing terwijl je gaat.
Het Boek van de Weg
Het zesde boek van The Mark · verwijzing: Weg hoofdstuk:vers
Hoofdstuk 1 Van de weg
1 De dragers zeiden: wij kennen nu de leer, de regels, de verhalen en de liederen; maar hoe leven wij het, van de morgen tot de avond?
2 En Mark zei: een weg bezit je niet, je loopt hem; en men leert hem niet door erover te spreken, maar door één voet voor de andere te zetten.
3 Vraag niet naar de hele weg tegelijk, want de verte ontmoedigt; vraag enkel naar de eerstvolgende stap, want die kun je zetten.
4 En de weg is niet recht en niet vlak; er zijn hellingen en dalen, en dagen dat je meent te dwalen. Maar wie zijn teken bij zich draagt, draagt zijn kompas bij zich; hij kan de weg kwijtraken, de richting niet.
5 Hier volgt dan de weg van de drager: de dag, de week, en de grote overgangen van een mensenleven. Neem ervan wat je dragen kunt, en groei in de rest.
6 En weet: dit zijn geen wetten die je binden, maar gewoonten die je dragen; zoals een rivier zijn oevers niet als een gevangenis draagt, maar als datgene wat hem tot rivier maakt.
Hoofdstuk 2 De dag van de drager
1 Begin de dag met stilte, al is zij zo kort als een ademtocht. Voor het brood, voor het werk, voor het eerste woord: sta stil, en herinner je dat het Licht dichterbij is dan die adem.
2 Spreek in die stilte het morgenlied, of enkel deze woorden: het is morgen; het Licht geeft de kracht, ik zet de stap.
3 Ga dan de dag in met open ogen, en zoek in ieder mens die je ontmoet het teken; want je loopt de hele dag tussen dragers, ook waar niemand het weet.
4 Doe je werk als een gave, hoe klein ook; want er is geen werk zo gering of het licht kan erin schijnen, als je het met liefde doet.
5 En laat de dag niet voorbijgaan zonder één teken na te laten: een woord op het juiste uur, een hand die niet loslaat, een naam die je onthoudt van wie meent dat niemand hem kent.
6 Val je overdag — en je zult vallen — veroordeel jezelf dan niet, maar sta op; de dag is jong, en het Licht is geduldig.
7 Sluit de dag met stilte zoals je hem begon. Tel niet wat je miste, maar wat je kreeg; breng wat je goed deed dankbaar terug, en wat je miste eerlijk, zonder je te verbergen.
8 En slaap zonder vrees, want wie je maakte, slaapt niet; en morgen is een herhaling van de eerste morgen.
Hoofdstuk 3 De samenkomst
1 Eens in de zeven dagen komen de dragers samen; want de mens is niet gemaakt om alleen te branden, en het licht brandt in gezelschap feller dan alleen.
2 Zij komen niet naar een gebouw, maar naar elkaar; en waar twee of drie dragers samen stilstaan in het Licht, daar is de samenkomst, of het nu een zaal is of een keukentafel.
3 En dit is de eenvoud van de samenkomst, opdat geen mens haar te moeilijk vinde: men ontsteekt een licht, men staat samen stil, men leest, men deelt, men zingt, en men zegent elkaar.
4 Men ontsteekt één licht in het midden, als teken van het ene Licht dat in allen leeft; en wie binnenkomt uit zijn eigen nacht, ziet dat er niet in het donker gewacht wordt.
5 Men staat samen stil, langer dan op de andere dagen; want de gemeenschap die samen zwijgt, hoort in de stilte iets wat geen mens alleen verstaat.
6 Men leest uit The Mark, en men spreekt erover, niet als meesters die uitleggen, maar als dragers die zoeken; en ieders vraag is welkom, want een vraag is een raam dat opengaat.
7 Men deelt: brood en beker, maar ook lasten en vreugden; wie iets draagt dat te zwaar is, legt het in het midden, en men draagt het samen. En wie het goed gaat, deelt zijn vreugde, opdat ook zij verdubbelt door het delen.
8 Men zingt, want waar het woord tekortschiet, begint het lied; en men zegent elkaar bij het uiteengaan, opdat niemand ongezegend de nacht in gaat.
9 En bij de samenkomst staat de kist voor de gave, open en zichtbaar; wie geven wil, geeft, vrijwillig en zonder dat een ander telt hoeveel; en men legt open rekenschap af van wat gegeven en besteed werd.
Hoofdstuk 4 De tekening
1 Wie zich bij The Marked voegen wil, ontvangt de tekening; niet omdat hij dan pas het teken krijgt, maar omdat hij dan hardop erkent wat het Licht al vóór zijn eerste adem in hem legde.
2 De tekening dwingt niemand en koopt niemand; zij is een woord dat een mens over zichzelf laat uitspreken: ik draag het teken, en ik wil het dragen.
3 De gemeenschap komt samen, en men ontsteekt het licht, en wie toetreedt staat in het midden, en een drager spreekt de zegen bij de tekening uit.
4 Men tekent hem met licht — met de hand, of met olie, of met as van de vorige samenkomst, naar het gebruik van de gemeenschap — op het voorhoofd of de hand, ten teken dat het onzichtbare teken nu erkend is.
5 En de gemeenschap belooft hardop: wij zullen je dragen op de dagen dat je je gloed niet zelf gelooft. En de nieuwe drager belooft: ik zal dragen wie naast mij valt.
6 Zo wordt niemand opgenomen als een bezit van de beweging, maar verwelkomd als een gelijke; want de nieuwste drager draagt hetzelfde teken als de oudste, gelijk en even helder.
7 En er is geen proef, geen prijs, geen wachttijd waarin men zich moet bewijzen; want het Licht stelde geen voorwaarde aan zijn teken, en zijn dragers stellen er geen aan hun deur.
Hoofdstuk 5 De overgangen van het leven
1 Bij de grote overgangen van een mensenleven staat de gemeenschap stil, want dat zijn de uren waarop de sluier dun is en het Licht dichtbij.
2 Bij een geboorte zegent men het kind, en men zegt: je bent geen toeval en geen vergissing, maar gesproken en gewild; en men neemt het op in de kring die het dragen zal tot het zelf kan gaan.
3 Bij het verbinden van twee die hun leven delen willen, staat de gemeenschap rondom hen, en men zegt: geen van u is voortaan een lamp alleen; draag elkaar, en laat uw beider licht één huis verlichten, waaraan ook anderen zich warmen.
4 Bij ziekte en beproeving laat men de lijdende niet alleen; men bezoekt, men waakt, men draagt wat gedragen kan worden, en men bewaart zijn licht wanneer hij het zelf niet ziet.
5 Bij verlies treurt men mee, en men spreekt de zegen over wie treurt, en men zegt: wat het Licht ontsteekt, keert tot het Licht terug, en gaat niet verloren; het licht is niet gedoofd, maar veranderd van gedaante.
6 En men begraaft de drager niet in vrees, maar in vertrouwen; men ontsteekt een licht, en men zegt: ga terug tot het Licht waaruit je kwam; wij dragen je een tijd nog in ons midden, tot ook wij die weg gaan.
7 En bij elk nieuw begin — een verhuizing, een breuk geheeld, een leven dat een andere wending neemt — zegent men het begin, en men zegt: neem één stap vandaag, en wij gaan met je mee.
8 Zo begeleidt de gemeenschap de drager door alle poorten van zijn leven; en op geen enkele poort staat hij alleen.
Hoofdstuk 6 De praktijk van het dragen
1 Vraag niet: hoe draag ik een ander? — en wacht op een groot gebaar; want het dragen bestaat uit kleine trouw, dag na dag.
2 Til op wie valt, en vraag niet eerst of hij het verdiend heeft; blijf bij wie treurt, ook wanneer er niets te zeggen valt; spreek zacht tot wie zichzelf hard toespreekt.
3 Herinner de vergetende aan zijn gloed. Wanneer een mens zijn teken niet meer ziet, zie het voor hem, en zeg: je licht is niet gedoofd; ik heb het gezien toen jij het niet kon zien.
4 Draag ook wie ver weg ging; laat de deur ongesloten, en oordeel wie terugkeert niet, maar zet een bord voor hem klaar en vraag niet waar hij was.
5 En laat je zelf dragen, drager; want wie zich nooit laat dragen, ontneemt een ander de vreugde te dragen, en draagt uit trots de eenzaamste last.
6 Draag met maat, opdat je niet bezwijkt; want wie een ander wil optillen, moet zelf ergens staan. Zorg daarom ook voor je eigen licht — rust, stilte, en de nabijheid van dragers — opdat je vol genoeg blijft om te kunnen geven.
7 En weet dat je niet de hele wereld hoeft te dragen; ieder kan één mens bijlichten, en wie één mens bijlicht, heeft voor die ene een wereld gered.
Hoofdstuk 7 Het ritme van het jaar
1 Zoals de dag zijn morgen en avond heeft, en de week haar samenkomst, zo heeft het jaar zijn tijden, en de drager gaat mee met hun ademhaling.
2 Er is een tijd van licht dat groeit, en een tijd van licht dat krimpt; en beide zijn van het Licht, want ook de winter is groei, al lijkt er niets te gebeuren.
3 Vier daarom het keren van het donker naar het licht, wanneer de nachten weer korten; ontsteek vele lichten, en herinner elkaar: de sluier lijkt van ijzer, maar hij is van rook.
4 En houd een tijd van stilstaan wanneer het licht op zijn hoogst is, en dank voor de volheid; en een tijd van inkeer wanneer het licht wegtrekt, en onderzoek zonder hardheid je eigen weg.
5 En houd een dag van de gave in het jaar, waarop de gemeenschap in het bijzonder deelt met wie in het donker zitten, binnen de kring en daarbuiten; want een gemeenschap die enkel zichzelf verwarmt, is een vuur dat naar binnen brandt.
6 Zo ademt het jaar mee met de drager, en de drager met het jaar; en in elke tijd, of het licht groeit of krimpt, blijft het teken hetzelfde, en de weg gaat door.
Hoofdstuk 8 Van de hele weg
1 Dit is de weg van de drager: eenvoudig genoeg voor een kind, en diep genoeg voor een leven lang.
2 Maak er geen last van die te zwaar is om te dragen; het Licht heeft geen behagen in juk en ketenen, maar in een lamp voor de voet.
3 En als je hele dagen of hele tijden de weg kwijtraakt, wanhoop niet; de weg is niet dat je nooit dwaalt, maar dat je telkens terugkeert, en je teken opnieuw ontdekt.
4 Loop de weg niet om aan het einde te komen, want in dit leven is er geen einde aan de weg van de drager; loop hem omdat het lopen zelf het leven is dat het Licht voor je bedoelde.
5 En waarheen leidt deze weg ten slotte, voor jou en voor allen? Naar een wereld die haar Licht herinnert — daarvan spreekt het laatste boek, het Boek der Belofte, dat hierna komt.
6 Sta op, drager. De weg begint niet morgen, maar bij de eerstvolgende stap. Zet hem.
Het Boek der Belofte
Het zevende en laatste boek van The Mark · verwijzing: Belofte hoofdstuk:vers
Hoofdstuk 1 De belofte hernieuwd
1 In het begin sprak het Licht een belofte uit, en zij staat als een rots in de tijd; en aan het einde van dit boek spreken wij haar opnieuw, opdat je haar meedraagt wanneer je het boek sluit.
2 Dit is de belofte: ik zal de mijnen niet vergeten, ook al vergeten zij mij; ik zal roepen tot het laatste hart mij hoort.
3 En dit is de belofte in zes woorden, opdat je haar altijd bij je draagt: je bent nooit alleen; sta op.
4 De belofte is geen droom die het Licht koestert en misschien waarmaakt; zij is een rots waarop je gaan kunt, ook in de nacht, ook wanneer je haar niet ziet.
5 Want het Licht belooft niet wat het niet houdt; en het houdt niet met macht van buiten, maar met de gloed die het in ieder van ons legde. De belofte wordt niet aan ons gedaan van bovenaf; zij wordt door ons heen vervuld.
Hoofdstuk 2 Het visioen van de lichtdragers
1 En Mark zag een wereld voor zich, niet zoals zij was, maar zoals zij bedoeld is; en hij zei: hoor waarnaar wij op weg zijn.
2 Ik zag een wereld waarin de mensen hun teken herinnerden, en niemand meer geloofde dat hij een lampje was zonder olie, een vonk zonder vuur.
3 Ik zag mensen die elkaar niet meer verachtten, want ieder wist: wie ik voor mij heb, draagt dezelfde gloed als ik; wie hem veracht, veracht het Licht.
4 Ik zag geen muren meer tussen de dorpen, maar bruggen; en waar eens angst de stenen stapelde, legde nu de een na de ander een steen naar de overkant.
5 Ik zag tafels waaraan de rijke en de arme naast elkaar zaten, en men kon niet zien wie wie was; en de honger was gestild, niet omdat het Licht brood liet regenen, maar omdat wie veel had, deelde met wie weinig had.
6 Ik zag geen mens meer die in het donker zat zonder dat een ander een licht bij hem bracht; want zovelen droegen, dat geen nacht meer onbezocht bleef.
7 En ik vroeg: wanneer komt die wereld? En het Licht zei: zij komt niet op één dag en niet uit de hemel; zij komt van hart tot hart, één vlam die een andere aansteekt, en jij bent waar zij vandaag begint.
Hoofdstuk 3 Niet met macht, maar van hart tot hart
1 Meen niet dat de belofte zich vervult door macht, of door getallen, of doordat de beweging groot en machtig wordt; want zo is het Licht nooit gekomen.
2 Het Licht dwingt niet en het dreigt niet; het roept, zacht als een naam die je in je slaap wordt toegefluisterd, en het wacht. Zo moeten ook zijn dragers roepen, en wachten, en nooit dwingen.
3 Een wereld die men met dwang tot licht drijft, is geen wereld van licht, maar van vrees met een masker; en het Licht heeft aan zulk een wereld geen behagen.
4 Bekeer daarom niemand met kracht, en koop niemand met gunst, en bang niemand met straf; herinner enkel ieder met zachtheid aan het licht dat er al is.
5 Want je plant geen licht in een mens; je wijst enkel het licht aan dat er al is. En één mens die werkelijk ontwaakt uit vrije wil, is meer waard voor de belofte dan duizend die uit angst meelopen.
6 Zo groeit de belofte langzaam, en soms zul je menen dat zij niet groeit; maar de wortel gaat voor de vrucht, en de wortel werkt in het donker.
Hoofdstuk 4 De hoop voorbij de nacht
1 En de dragers vroegen: en wij zelf, wanneer onze eigen nacht komt, de laatste — wat mogen wij dan hopen?
2 En Mark zei: al ging een mens tot het diepste van zijn nacht, waar geen ster meer staat, ook daar is het Licht, want ook daar is zijn vonk, en zijn vonk is het Licht.
3 Wat het Licht ontsteekt, keert tot het Licht terug, en gaat niet verloren; zoals de rivier de zee niet ziet en er toch aankomt, zo keert de drager terug tot de gloed waaruit hij kwam.
4 Vrees daarom de laatste poort niet als een muur, maar ga erdoor als door een deur; want wie je maakte, staat aan de andere kant, en hij verlaat zijn eigen gloed niet.
5 En treur om wie je verloor met de traan die het verdient, maar niet als wie geen hoop heeft; want het licht dat je verloor, is niet gedoofd, maar veranderd van gedaante, en het wacht waar alle licht samenkomt.
6 Dit is geen bewijs dat wij je geven, en geen wonder dat wij tonen; het is een vertrouwen, gebouwd op de aard van het Licht dat geeft en niet terugneemt, dat ontsteekt en niet dooft.
7 Draag deze hoop niet als een ketting die je aan het einde bindt, maar als een licht dat je nu al warmt; want wie de laatste nacht niet meer vreest, leeft alle andere nachten vrijer.
Hoofdstuk 5 De grote morgen
1 En het Licht zei: er komt een morgen die de laatste sluier wegneemt, zoals de zon de nevel wegneemt van het dal, niet met geweld, maar door eenvoudig op te gaan.
2 Op die morgen zal geen mens meer een ander hoeven herinneren aan zijn teken, want allen zullen het zien, in zichzelf en in elkaar; en het roepen van hart tot hart zal voltooid zijn.
3 Dan zal blijken dat de duisternis nooit een leger was, maar enkel de plek waar men het licht niet had aangestoken; en waar allen hun licht ontsteken, blijft geen plek meer donker.
4 En het kwaad, dat nooit een wezen met horens was maar een mens die zijn teken vergat, zal geen voedsel meer vinden, want niemand zal nog verkild andere lichten doven om zijn eigen kou niet te voelen.
5 Ik weet niet, zei Mark, of die morgen komt in mijn dagen of in die van mijn verre kinderen; maar ik weet dat elke drager die vandaag één ander bijlicht, die morgen dichterbij brengt.
6 Leef daarom alsof de grote morgen van jouw hand afhangt, en vertrouw tegelijk alsof zij enkel van het Licht afhangt; want beide is waar, en tussen die twee wordt de belofte vervuld.
Hoofdstuk 6 Hoe de belofte niet verraden wordt
1 En Mark waarschuwde, want hij wist dat wat licht begint, door mensenhanden verduisterd kan worden; en hij zei: hoor waaraan je de belofte niet verraden zult.
2 Maak van mij geen afgod, en van geen mens na mij; want een afgod dooft het teken in wie hem aanbidt. Wijs de mensen niet naar een mens, maar naar het licht in henzelf.
3 Bouw geen tronen in de beweging, en laat niemand heersen over de dragers; want het Licht gaf geen meester boven hen, maar een gloed in hen. Wie zich boven zijn broeders verheft, is de gloed al kwijt die hij meent te bewaken.
4 Laat de gave nooit een dwang worden en nooit een prijs; wie het teken enkel toont aan wie betaalt, verkoopt wat om niet gegeven is, en hij bedriegt het Licht. De gave is vrijwillig, uit dankbaarheid, en in het volle licht van open rekenschap.
5 Toon geen valse tekenen en beloof geen wonderen die je niet houdt; want wie met bedrog geloof wekt, bouwt op rook, en zijn huis valt en begraaft wie erin geloofden. Aan de vruchten zal men het Licht kennen, niet aan wonderen: zie of wie deze weg gaat, zachter wordt, en moediger, en trouwer aan zijn naaste.
6 En sluit de deur voor niemand, en oordeel wie terugkeert niet; want op de dag dat The Marked een muur wordt in plaats van een brug, heeft zij haar teken verloren, al draagt zij zijn naam nog.
7 Bewaak dit, dragers, van geslacht tot geslacht: de dag dat deze beweging dwingt, pronkt, bedriegt of heerst, is de dag dat zij het Licht verliet; keer haar dan terug naar de eenvoud, of laat haar liever vallen dan haar te laten liegen.
Hoofdstuk 7 De zending
1 En nu, jij die dit boek gelezen hebt van het eerste woord tot dit laatste: het boek is uit, maar de weg begint.
2 Je weet nu waarvandaan je komt: uit het Licht. Je weet wie je bent: een drager van zijn gloed. Je weet wat je te doen hebt: het dragen, en het doorgeven.
3 Draag daarom dit boek niet als een schat achter glas, maar als brood in je tas; en draag vooral het teken, dat ouder is dan dit boek en dieper geschreven dan enige bladzijde — geschreven in jou, vóór je eerste adem.
4 Wees niet bang dat je te klein bent, of te gebroken, of te laat; want het Licht zond geen engel, maar een mens die gevallen was en opgestaan, opdat allen zouden weten dat ook zij kunnen opstaan. Wat aan Mark gegeven werd, is ook aan jou gegeven.
5 Begin klein, en begin vandaag: licht één mens bij. Herinner één vergetende aan zijn gloed. Leg één steen naar de overkant. Meer vraagt het Licht vandaag niet, en minder niet.
6 En weet, waar je ook gaat en hoe donker je nacht ook wordt: je bent nooit alleen. Het Licht is dichterbij dan je adem, en er is een gemeenschap van dragers die je opvangt wanneer je valt.
7 Zo eindigt The Mark, en zo begint jouw weg. Het Licht geeft de kracht; jij zet de stap. Het Licht opent de weg; jij loopt hem.
8 Sta op, drager. Het is morgen, en de morgen is een herhaling van de eerste, en in jou wil het Licht opnieuw de wereld beginnen.